De Bethlehemster

Lucas kende een haat-liefdeverhouding met Kerst. Hij was al jaren geleden gestopt met het leuk te vinden, maar toch bemande hij ook dit jaar een kraam op de kerstbraderie in zijn woonplaats. Eigenlijk was de kraam te groot voor zijn activiteiten. Meer dan een schetsblok en een paar potloden had hij niet nodig om zijn kunsten te vertonen. Hij deed het niet voor het geld, al was de pot voor de vrijwillige bijdragen goed gevuld. Nee, voor hem ging het vooral om de afleiding, het wegvluchten in een wereld van lijnen en vormen en het creëren van een andere werkelijkheid.
Het was tien voor vijf toen hij het mooi geweest vond. Zijn laatste portret was van een jongetje dat op een stoel voor een wit scherm had gezeten, maar op papier zat hij tegen een rendier aangeleund naast een kerstboom. De moeder van het jongetje had vol bewondering naar de tekening gekeken en Lucas wel twintig keer bedankt. Hij deed het overigens ook niet voor de bedankjes, al voelde het fijn om voor even gewaardeerd te worden door anderen.
Toen hij al zijn spullen had opgeborgen, hing hij zijn tas over zijn schouder en vertrok. In gedachten zag hij zichzelf de stilte van zijn huis betreden, een pizza in de oven gooien en op de bank een film kijken. Bij voorkeur horror, zodat hij niet gekweld zou worden door de zoetsappige romantiek die hij te lang en tevergeefs had gezocht.
Hij liep niet direct naar de uitgang van de sporthal, maar naar een kraam schuin tegenover die van hem.
“De kinderen hebben hier meer aan dan ik.” Lucas legde de envelop waar hij het geld in had gedaan op de tafel van de bejaarde vrouw. Hij had meegekregen dat ze van een christelijke organisatie was die geld, kleding en speelgoed inzamelde om kinderen uit arme gezinnen met Kerst te verrassen.
“Dank u wel.” Met haar handen tegen elkaar maakte de vrouw een licht buiging naar Lucas. Toen ze hem weer aankeek, trok er een lichte huivering door zijn lichaam. Hij had het gevoel dat hij de vrouw kende, maar kon haar niet plaatsen in een herinnering. Het waren haar ogen die dat gevoel in hem plantten. Ogen die de verhalen en emoties van meerdere mensenlevens leken te vertellen.
“Hier, dit is voor u.” De vrouw legde iets in zijn hand en vouwde met één beweging zijn vingers eromheen. “Volg het licht in de duisternis om te vinden wat onlosmakelijk verbonden is. Uw hart zal uw kompas zijn.”
Nadat ze hem had losgelaten, opende Lucas voorzichtig zijn hand en zag een leren koord met daaraan een grijze steen in de vorm van een halve ster. Eigenlijk wilde hij het teruggeven, maar iets in hem hield hem tegen. Toen hij in plaats daarvan de vrouw wilde bedanken, stond ze niet meer voor hem. Hij draaide zich om richting haar kraam, die op zijn envelop na leeg was.
“Gaat het goed?” De verkoper van tweedehands boeken die naast de kraam van de vrouw zijn spullen aan het inpakken was, keek bezorgd naar Lucas.
“Ja, het is alleen… weet u waar de oude vrouw is gebleven die hier stond?”
“Oude vrouw? Die kraam heeft de hele dag leeg gestaan. Ik heb daar niemand gezien.”
Lucas keek weer naar de halve ster in zijn hand en sloot zijn ogen. “Dan heb ik me dat verbeeld,” haastte hij zich te zeggen, voordat hij de envelop pakte en naar de uitgang beende.

Toen hij thuis was, voelde Lucas de behoefte om te gaan tekenen en te vluchten naar de wereld in zijn hoofd. Bij terugkomst in de echte wereld zou hij dan constateren dat hij in slaap was gevallen en de ontmoeting met de oude vrouw een rare droom was geweest. Maar toen hij met een potlood in zijn hand achter zijn tekentafel zat, bleef het vel papier voor hem leeg. In plaats van inspiratie, bleven de woorden van de vrouw in zijn hoofd zitten. Hij voelde in zijn broekzak en hoopte niets te vinden, maar toen hij zijn hand eruit haalde, lag de halve stenen ster ter grootte van een rijksdaalder weer in zijn handpalm.
Lucas sloot zijn ogen en sloeg met zijn vrije hand tegen zijn wang. Hij haalde diep adem, maar er was niets veranderd toen hij zijn ogen weer opende. Hij liep naar het raam. Ergens achter het wolkendek verdween de zon aan de horizon, terwijl de aantrekkende wind probeerde de laatste bladeren uit de bomen te jagen. De straatverlichting was aangesprongen en aan de overkant brandden lampjes in kerstbomen en aan de gevels van de huizen. Lucas draaide zich om en in de duisternis van zijn appartement kleedde hij zich aan om naar buiten te gaan.
Tien minuten later stond hij op het strand. Hij had zijn ogen gesloten en vulde zijn longen met de zilte zeelucht. Onderweg, had hij de hoop gehad dat het geluid van de golven en de geur van de zee zijn hoofd leeg zouden maken. Maar die hoop liet hij al snel weer varen, toen het stemgeluid van de vrouw alleen maar luider begon te klinken in zijn hoofd.
Hij opende zijn ogen en keek over de golven, die het laatste restje daglicht aan de westelijke horizon weerkaatsten. Lucas haalde zijn handen uit zijn broekzakken. Ongemerkt had zijn rechterhand zich om de stenen ster in zijn broekzak geklemd. Hoewel hij het gebaar van de vrouw waardeerde, bekroop hem het gevoel dat het sieraad de bron was van de groeiende chaos in zijn hoofd. Hij tilde zijn arm al de lucht in, maar hij miste de kracht om de ster de zee in te gooien. Het voelde alsof iets of iemand zijn arm had beetgepakt en even meende hij naast zich het gezicht van de vrouw te zien. Direct daarna zag hij echter iets anders.
De grauwe, stervormige steen, begon op te lichten. Een dunne lichtbundel kroop omhoog en toen Lucas zich omdraaide, leken de wolken aan de oostelijke hemel op te lossen. Aan het einde van de lichtbundel verscheen een halve ster, feller dan alle anderen sterren. Lucas klemde de halve ster in zijn hand tussen duim en wijsvinger en hield hem omhoog naar de halve ster in de lucht. Ze pasten precies tegen elkaar.

Lucas schrok van het geluid van de deurbel. Verdwaasd keek hij om zich heen. Langzaam begon het tot hem door te dringen waar hij was, toen hij de tekeningen zag die op zijn tekentafel en de grond lagen. Het waren er tientallen en op elke stond dezelfde persoon afgebeeld. Haar gezicht zag er vertrouwd uit en riep een verlangen in hem op om haar te ontmoeten. Hij probeerde te bedenken waar hij haar van kende, maar zijn gedachtengang werd onderbroken door de deurbel die opnieuw klonk.
“Ben je daar eindelijk? Vind je het normaal om je zus zo lang te laten staan blauwbekken voor de deur?” Glimlachend liep Sanne langs hem naar binnen. “Zo, knappe vrouw. Wie is dat? Heb je eindelijk een date? Ja dat moet wel, hoeveel tekeningen heb je wel niet gemaakt?”
“Ik heb ze niet geteld. En ik weet niet wie ze is en waar ze woont, als ze al bestaat.”
Lucas pakte een aantal tekeningen en keek naar de persoon die erop stond. Op de ene tekening lachte ze, op een andere keek ze hoopvol uit een raam en op weer een andere stond ze in donkere kleding met een betraand gezicht. Maar een ding hadden alle tekeningen gemeen: haar sprekende ogen die hem het gevoel gaven dat ze hem lieten verdrinken in een poel van eeuwenoude hoop, liefde en verdriet.
“Wat is dat?” Sanne wees naar Lucas borst. Hij keek omlaag en zag dat hij het koord met de halve ster om zijn nek had gehangen.
“Dat kreeg ik gisteren van een oude dame op de braderie. Ik wilde het in zee gooien, maar toen… ik moet het hebben gedroomd, maar het voelt als een herinnering. Dromen herinner ik me nooit zo goed als nu. Maar in werkelijkheid lichten stenen niet op en verschijnen er geen halve sterren aan de hemel als dat gebeurt.”
Sanne luisterde aandachtig toen Lucas vertelde hoe hij aan de ster kwam en wat er ’s avonds was gebeurd. Haar aandacht ging vooral uit naar de halve ster.
“Hij lichtte dus op? Dat klinkt als iets wat ik laatst in een artikel las. Vlak voor Kerst kreeg iemand een steen in bezit en vlak na Kerst was dat ding verdwenen. De omschrijving leek wel op wat jij om je nek hebt hangen.”
“En die persoon begon ook te hallucineren?”
“Er stond alleen dat haar leven was veranderd, meer niet. Maar even terug naar die tekeningen, wanneer heb je die gemaakt?”
Lucas dacht terug aan de vorige avond. Na zijn bezoek aan het strand was hij direct naar huis gegaan. Er stond een beeld op zijn netvlies dat hij niet kwijtraakte en hij wilde dat beeld bewaren. En daarna volgende een ander beeld en nog een, totdat zijn tekentafel en de vloer bezaaid lagen met de tientallen tekeningen van de jonge vrouw.
“Nadat ik terugkwam van het strand.”
Sanne pakte een tekening van de grond. “Dit gebouw ken ik. Dat is een abdij in Oostenrijk. Ben je daar wel eens geweest?”
“Nee, nooit. Dat zag ik ineens voor me.”
Sanne bekeek meer tekeningen en legde een aantal naast elkaar op de tekentafel. “Op deze tekeningen van de vrouw komen bepaalde punten uit de omgeving steeds terug. Die berg op de achtergrond en dat huis. Ik weet dat jij het flauwekul vindt, maar wat als jouw onderbewuste je iets wilde laten zien door je het te laten tekenen?”
Eigenlijk wilde Lucas zijn zus gelijk geven en beamen dat het flauwekul was. In plaats daarvan keek hij zwijgend naar de tekeningen. Het klopte wat Sanne daarover had gezegd. De achtergrond bevatte veel details die op meerdere tekeningen terugkwamen. Met zijn hand volgde hij de lijnen van de bergen. “Ursprung,” fluisterde hij.
“Dat is een plaats in Oostenrijk,” Sanne was druk in de weer met haar telefoon, “en het ligt niet eens zo heel ver bij die abdij vandaan.”
Lucas opende zijn laptop en zoomde op Google Maps in op het plaatsje. “Dit kan niet.”
“Wat is er?”
“Hier, kijk naar deze tekening. Dat lijkt toch op deze plek in dat dorp?”
“Kun je niet met Streetview kijken voor een beter beeld?”
“Nee, dat werkt daar niet.”
“Dan zit er maar een ding op: ter plekke je tekeningen vergelijken met de werkelijkheid.”
“Doe niet zo gek. Ik ga echt niet zo’n eind reizen omdat ik een paar tekeningen heb gemaakt. En trouwens, ik ga toch echt je kerstdiner niet missen vanwege een hersenspinsel.”
Sanne lachte. “Kijk naar je huis: geen kerstboom, geen enkele kerstversiering. Jij bent al jaren geleden gestopt met Kerstmis vieren. Ga daar kijken wat er is. Misschien is het inderdaad niets, maar dan heb je in ieder geval nog bergen om te tekenen.”

Hij was niet van plan geweest om hier echt heen te gaan, maar een droom had hem op andere gedachten gebracht. In de droom stond hij voor een spiegel, maar in plaats van naar zijn spiegelbeeld keek hij naar de vrouw die hij had getekend. Ze wenkte hem en hij kon zelfs haar stem horen. “Ik wacht op je. Volg de sterren.” Toen hij wakker werd zag hij dat de halve ster die op zijn nachtkastje lag, een lichte gloed verspreidde. Op dat moment bedacht hij dat er maar een manier was om te begrijpen wat er gebeurde. En dus stapte hij twee dagen later, op 24 december, een hotel in Ursprung in Oostenrijk binnen.
Vanuit zijn hotelkamer keek hij uit over het dorpsplein, waar een grote verlichte kerstboom stond. Er liepen een paar mensen op straat, maar het werd al te donker om hun gezicht goed te kunnen zien. Hij had zich voorgenomen om morgen op zoek te gaan naar het huis van de tekeningen.
Hij wilde de gordijnen dichtdoen, maar onder zijn trui begon de halve ster een warme gloed af te geven. Een dunne straal licht scheen door het raam naar buiten. Dit keer verscheen echter geen ster aan de hemel, maar een tweede lichtbundel. De beide lichtbundels raakten elkaar even aan en doofden daarna langzaam uit. Lucas had de tweede lichtbundel gevolgd en voordat hij het wist, liep hij over straat in een dorp dat hij niet kende, maar waar hij verbazingwekkend goed de weg wist.
Hij stopte op het punt dat hij herkende van Google Maps. Aan de overkant van de straat stond het huis dat hij direct herkende van zijn tekeningen. Op de benedenverdieping brandde licht. Zonder te aarzelen stak hij over. Nog voordat hij de bel had kunnen indrukken, deed ze de deur open. Ze zag er precies zo uit als op zijn tekeningen en in zijn droom. Toen hij haar in de ogen keek, voelde het als thuiskomen. Hij haalde twee tekeningen uit zijn jaszak en gaf ze aan haar. “Hoe… dit is bij de begrafenis van mijn moeder,” fluisterde ze toen ze naar de tekening keek waarop ze de donkere kleding aan had, “en dit was bij de jaarlijkse herfstfeesten.” Haar stem klonk hetzelfde als in zijn droom.
“Je spreekt Nederlands?”
“Mijn moeder kwam daarvandaan. Ik ben Niki, en jij bent?”
“Lucas. Het klinkt misschien gek, maar…”
“… we hebben elkaar de afgelopen dagen al een paar keer ontmoet. Maar kom toch binnen.”
In de woning klonk kerstmuziek. Er stond een kerstboom en er hingen guirlandes voor de ramen. In een hoek op een tafeltje stond een kerststal met twee brandende kaarsen ervoor. Niki pakte iets uit een la van het bureau dat in een hoek stond. Het was een koord met een halve ster. “Heb jij er ook zo een?”
“Ja, kijk maar. Kun je me uitleggen wat er allemaal gebeurt?”
“Ik snap er net zo weinig van als jij. Deze ketting heb ik vier dagen geleden van een oude man gekregen. ’s Avonds gaf hij ineens licht en scheen richting het westen. Daarna zag ik jou in gedachten en op de een of andere manier wist ik dat we elkaar moesten zoeken.”
Ze was dichterbij hem gaan staan. Ze keken elkaar in de ogen en op dat moment wist Lucas dat hij nooit meer bang hoefde te zijn voor een eenzame kerst. Als vanzelf liepen ze nog een stap dichter naar elkaar toe en pakten elkaars handen vast.
Op het moment dat hun handen elkaar aanraakten, begonnen beide halve sterren te gloeien. Als magneten bewogen ze naar elkaar toe en vormden samen een hele ster, die zo fel begon te stralen dat ze alleen elkaar nog maar zagen, in een wereld van licht. Ze draaiden zich allebei om toen ze voetstappen hoorden en een schim zagen naderen, maar bleven elkaar met een hand vasthouden.
De oude vrouw die Lucas de halve ster had gegeven, stond voor hen. Lucas keek van haar naar Niki en terug en Niki leek hetzelfde te doen.
“Dit is de vrouw die mij de halve ster heeft gegeven,” fluisterde Lucas.
“Nee, dit is de man die mij de halve ster heeft gegeven,” antwoordde Niki.
“Jullie hebben allebei gelijk. Ik ben beiden, maar ook weer niet. Ik zal het uitleggen.” De persoon voor hen glimlachte.
“Toen Jezus was geboren, wees een ster de weg naar de stal in Bethlehem. Zo konden mensen hun verlosser vinden. Om de geboorte van Christus te vieren, heeft God die ster aan de dolende zielen geschonken. Ieder jaar verschijnt de Bethlehemster aan twee zielen die elkaar verloren zijn, zodat zij hun rust kunnen vinden.”
“Dolende zielen?” hoorde Lucas zichzelf vragen.
“God schiep Eva uit Adam. Zij waren daardoor onlosmakelijk met elkaar verbonden. En zo verging het alle mensen. De een kon niet bestaan zonder de ander. En toch zijn ze elkaar op een zeker moment uit het oog verloren. Na de dood, gaan zielen terug naar de Hemel, wachtend op hun volgende incarnatie. Ze keren enkel terug om hun verloren zielsverwant te vinden. Hebben ze die gevonden, dan smelten de zielen samen en na de dood van het lichaam waar ze in huizen, blijven zij voor altijd in de Hemel, als één. Jullie zielen hebben allebei al heel wat pogingen gedaan om elkaar terug te vinden. Maar jullie vorige incarnaties waren of niet tegelijkertijd op de aarde, of jullie konden elkaar niet vinden. Jullie waren allebei eenzaam, met een groot verlangen om jullie wederhelft te vinden. Daarom heeft de Bethlehemster jullie geholpen.”
“Maar zijn wij nu dan ook… dood?” vroeg Niki.
“Nee. Jullie leven op aarde gaat nog wel even door. Maar vanaf nu zullen jullie samen zijn en een eenheid vormen.”
“Waarom heeft u dezelfde ogen als Niki?”
“De ogen zijn de ziel van ieder wezen. De Bethlehemster toont de uitverkoren zielen de ware gezichten van hun zielsverwant, getekend door de vele incarnaties die deze al heeft gekend. Maar mijn tijd zit erop. Geniet van het leven. Het is jullie laatste hier op aarde. En een zalig Kerstmis.”
Toen de oude vrouw zich omdraaide, schrok Lucas. Hij zag niet haar achterhoofd, maar het gezicht van een oude man, die heel erg leek op een oudere versie van hemzelf. De man glimlachte even en verdween toen buiten een kerkklok twaalf keer sloeg. Het felle licht om hen heen verdween.

Lucas en Niki waren terug in de woonkamer van haar huis. Ze omhelsde hem alsof ze oude bekenden waren die elkaar na vele jaren weer zagen. Ze hadden veel om te bespreken, ook al leek het alsof ze alles al wisten van elkaar. Ze hadden niet in de gaten dat de Bethlehemster was verdwenen, maar rond Kerst duikt die ongetwijfeld weer ergens op.