Stille-nacht-serenade

Zijn hand trilde toen hij zijn telefoon naast de foto op het bijzettafeltje legde. De boodschap dreunde nog na in zijn hoofd. Minutenlang staarde hij naar de kerstboom die zijn dochter en kleinkinderen hadden neergezet. Hij had de lampjes aan gezet omdat dat stiekem toch wel gezellig was. Bovendien zou Marie het hem kwalijk hebben genomen als hij dat niet had gedaan, zeker op de dag voor kerst. De decembermaand vond zij de mooiste tijd van het jaar en toen zij er nog was, kon je nergens kijken zonder dat er kerstversieringen in je blikveld verschenen en het liefst draaide ze de hele dag kerstmuziek. Maar dit jaar stond de kerstboom er alleen voor om de kerstsfeer in huis te brengen. En ook al had Marie deze kerstboom kunnen zien, het was maar de vraag of ze had begrepen waar ze naar keek.

Marie woonde al enkele maanden niet meer thuis. Jan wist al enige tijd dat ze op een dag ergens anders zou moeten wonen, maar hij stelde die dag het liefst zo lang mogelijk uit. Hij wilde dat ze nog een keer thuis kerst kon vieren. Die wens zou echter niet uit komen.
De alzheimer begon steeds vernietigender om zich heen te grijpen. In het begin vergat ze kleine dingen en kon ze de bril die op haar neus stond niet vinden of zaten haar sleutels nog in de voordeur. Jan begon post-its op tactische plekken te plakken. Op de badkamerspiegel hing een briefje met de tekst “Jouw tandenborstel staat rechts van de kraan.” Een paar dagen later plakte hij er een briefje onder met daarop een pijl en de tekst “Dit is rechts”. Nadat ze een keer per ongeluk alle gaspitten had opengedraaid, sloot hij de hoofdkraan af als er niet gekookt werd. Boven het gasfornuis verscheen een briefje met de tekst: “Wil je eten? Vraag maar aan Jan.”
Het eerste signaal dat Marie ook haar echtgenoot begon te vergeten, kwam toen ze hem het briefje uit de keuken gaf en zei: “Papa, kun je Jan halen? Ik wil een boterham.”
Jan wilde niet opgeven. Ook al was zij hem misschien verloren in haar herinneringen, hij wilde haar niet kwijt raken. Toch kwam het moment waarop hij Karin gelijk moest geven dat het zo niet langer kon. Eerst vonden ze haar na een paar uur zoeken bij een bushalte waar ze wachtte op een bus die naar haar ouderlijk huis aan de andere kant van het land ging. Een paar dagen later had Marie midden in de nacht een van de post-its met de instructies om het alarmnummer te bellen op haar nachtkastje gevonden en had ze in paniek de politie gebeld omdat ze dacht dat haar echtgenoot een inbreker was die naast haar in bed was gekropen.

Ondanks – of misschien wel dankzij – het coronavirus dat de wereld in zijn greep hield, had Karin snel een plek in een verpleeghuis in de buurt gevonden voor haar moeder. Anderen hielden hun geliefden liever thuis, uit angst voor het coronavirus, dat in verpleegtehuizen al veel slachtoffers had gemaakt, maar Karin deelde die angst niet.
Zij was gaan geloven dat het coronavirus niet bestond en deel uitmaakte van een kwaadaardig plan van de wereldleiders om iets aan de overbevolking te doen. Dat had ze gezien op Youtube en dus moest het wel waar zijn.
Jan zag het met lede ogen aan. Hij was twee vrienden verloren aan COVID-19 en anderen worstelden, maanden nadat ze genezen waren verklaard, nog steeds met de medische gevolgen van hun coronabesmetting. Toch respecteerde hij het standpunt van zijn dochter, al was hij het er niet mee eens. Soms hebben mensen verzachtende leugens nodig om de werkelijkheid het hoofd te kunnen bieden.

Jan en Karin bezochten Marie om de beurt. Ze hadden goede hoop dat ze met kerst bij haar konden zijn om nog één keer samen kerst te kunnen vieren. Maar het telefoontje dat Jan zojuist had gekregen, schoot die hoop volledig aan flarden. Verschillende patiënten en medewerkers hadden positief getest op het coronavirus. Marie behoorde niet tot die groep, maar in overleg met de GGD was besloten dat alle bewoners voor 10 dagen in quarantaine moesten. Met kerst kon Jan dus niet bij zijn Marietje zijn.
Hij pakte de foto van het bijzettafeltje. Met zijn wijsvinger wreef hij over het gezicht van zijn vrouw, die lachend naast hem stond. Om zijn nek hing de accordeon waarmee hij een paar deuntjes had gespeeld op Karins bruiloft. Wat straalde Marie op deze foto. Ze keek gelukkig en trots naar de camera. En wat had het hem pijn gedaan toen ze hem een aantal maanden geleden vroeg wie die vrouw op de foto was.
Het geluid van zijn telefoon haalde hem uit zijn gedachten. Op het scherm verscheen het nummer van Karin. Hij zette de foto terug en pakte met zijn ene hand de telefoon, terwijl hij met de andere een zakdoek vasthield waarmee hij zijn ogen depte.
“Ik ben net gebeld door het verzorgingstehuis,” kwam Karin snel ter zake, “Wat een onzin dat we ma niet mogen opzoeken vanwege dat opgeblazen griepje.”
Jan liet een korte stilte vallen, terwijl hij weer naar de foto op de bijzettafel keek. “Ik wil ook niet dat ze met kerst helemaal alleen is. Ze herkent ons misschien niet meer, maar we moeten samen zijn. Voor haar.”
“En voor jou,” viel Karin hem in de rede, “Jij moet op een waardige manier afscheid van haar kunnen nemen. Maar met die quarantaine is er geen kerst te vieren. Niemand mag erin.”
“Misschien hoeft dat ook niet.” Zijn gezicht klaarde een beetje op.

Marie had een kamer op de eerste verdieping, met een raam dat uitkeek over de binnenplaats, die grensde aan een plein met verschillende cafés en restaurants. Normaal was het er gezellig druk, zeker op kerstavond, maar dit jaar lag het plein er verlaten bij. De stilte sneed door merg en been. Vanuit de cafés klonk geen muziek en het geroezemoes van de verwarmde terrassen van de restaurants was ook al weken geleden verstomd.
Het enige geluid dat deze kerstavond te horen was, waren de voetstappen van een eenzame man. In zijn ene hand droeg hij een houten klapstoel, in zijn andere een grote koffer. Jan liep over het plein naar de binnenplaats, waar hij de klapstoel onder het raam van haar kamer zette. Hij had een paar minuten nodig om bij te komen van de wandeling. Daarna pakte hij het instrument uit de koffer.
De laatste keer dat hij de accordeon had gebruikt, was enkele jaren geleden. Toch kostte het hem geen moeite om de stilte op de binnenplaats en het plein te verbreken met de zuivere melodie van haar favoriete kerstlied. Hij had het al zo vaak voor haar gespeeld, dat zijn handen het lied bijna als vanzelf uit het instrument wisten te krijgen.
In het verpleeghuis werden donkere ramen licht. In de huizen rondom het plein gingen ramen open. En terwijl Jan de melodie bleef herhalen, werden naast hem de woorden gezongen.
“Stille nacht, heilige nacht…”
Even keek hij opzij en zag Karin met haar gezin staan. Jan zag met zijn vochtige ogen dat ook zijn dochter het niet helemaal droog hield. Aan de telefoon had ze haar twijfels uitgesproken over zijn plan, maar in zijn hart had Jan geweten dat ze er zou zijn. Voor haar moeder. En terwijl hij speelde en zijn dochter en haar gezin zongen, ging het raam op de eerste verdieping open.
“Jan? Ben jij dat? Dat is mijn lievelingsliedje.”
Bij het horen van haar broze stem, stopten zijn handen met spelen en keek Jan omhoog. “O, Marie, kon je maar bij ons zijn.”
“Maar ik ben toch bij jullie? Dit is zo mooi. Dat is mijn lievelingsliedje, wist je dat? Je hebt thuis toch wel een kerstboom neergezet he? Met de stervormige piek van mijn moeder bovenin?”
Jan knikte. “De piek zit bovenin de kerstboom. En je gouden kerstengelen hangen met hun gezicht naar de bank.”
“Dan waken ze over jou als je daar zit te puzzelen of tv kijkt. Mag ik met je mee naar huis om de kerstboom te zien?”
“Dat… dat…”
“Dat gaat niet mam. Je bent ziek en hier wordt goed voor je gezorgd.”
“O. Dan moet ik maar wachten tot volgend jaar. Niet vergeten om dan weer de kerstboom neer te zetten he? Wat een mooie muziek. Wist je dat dit mijn lievelingsliedje is?”
Langzaam begon het gezang tot hem door te dringen. Jan keek om en zag de mensen die uit hun huizen waren gekomen op geruime afstand van elkaar op het plein staan. Ook al was de muziek gestopt, de mensen bleven zingen.
“Vrolijk kerstfeest, lieve Marie,” fluisterde Jan richting het openstaande raam. Maar hij zag in haar blik dat Marie alweer was verdwenen in haar doolhof van verminkte herinneringen. Hij hoopte dat ze een mooie kerst herbeleefde, eentje uit een tijd waarin het nog groots gevierd mocht worden.