dec 242012
 

“Ik had me deze kerst toch heel anders voorgesteld. Dit noem ik geen luxe cruiseschip, Jonas!”
Met haar arm veegt Kristien haar ooghoeken droog.
“Kom op, we hebben geen tijd om stil te zitten.”
“Ik kan niet meer. Mijn armen doen zeer, ik ben moe en ik heb het koud.”
Jonas zucht. “Ik ook. Dus moeten we in beweging blijven.”
Vanaf zijn plek achterin de boot, ziet Jonas dat Kristien de peddel pakt en weer begint te roeien. Ook hij haalt zijn peddel weer door het water, al worden zijn slagen steeds korter.
“Weet je wel waar we naartoe gaan?” Kristiens stem trilt.
“In ieder geval weg van de dood,” antwoordt Jonas. Hij kijkt om en ziet de lichte onderbreking van het nachtelijk duister. In gedachten hoort hij de paniek in de stemmen van mensen die hij niet kent. Mensen die hij samen met Kristien aan hun lot overlaat. Lees verder »

 Gepubliceerd door om 16:01
dec 152012
 

“Wee mij, wee mij, o ik diep rampzalige!” De oude man in zijn versleten kaftan, die deze woorden sprak, had als in wanhoop de armen omhoog geheven. Terwijl hij die liet zakken, keek hij zijn toehoorders aan en vervolgde, “Ik was een gezien man met een goede nering in een klein stadje genaamd Bethlehem. Gewaardeerd om mijn jovialiteit, mijn grappen en grollen en de voortreffelijke maaltijden die ik opdiende en mijn gastvrijheid. Een gastvrijheid die ik natuurlijk graag beloond zag met klinkende munt, laat ik eerlijk zijn. De schoorsteen kon niet van niets roken, de wijn en de maaltijden die ik serveerde en het onderdak die ik verleende, diende betaald te worden. Net als alle mensen, heb ik ook een vader en een moeder gehad. Dus ook een naam. Maar die naam is roemloos- en eerloos verzonken in het stof der eeuwen, en, hoewel vergeten, toch met schande en vloek beladen. Lees verder »

 Gepubliceerd door om 19:59
dec 152012
 

Er was eens een jongeman, die zei: “Stik, niets dan een tram, dat ben ik. Ik ben gedoemd te gaan, steeds langs dezelfde baan. En aan de remise gekomen, is het uit met mij en al mijn dromen.”
Zo dacht die jongeman, maar dat uitzichtloze lot bevredigde hem niet. Er moest méér zijn, dat voelde hij diep in zijn binnenste. Maar wat? Wat knaagde er zo in hem? Wat was dat hunkerende gevoel? Dat vage weten, dat er ergens iets heel moois was. Dat misschien achter de horizon of op de top van een berg op hem wachtte. Hij moest maar gaan zoeken, vond hij. Vragen aan anderen, Aan wegwijzers. Lees verder »

 Gepubliceerd door om 19:46